Toen vorige week dinsdagochtend mijn wekker afliep om 09.00 uur, voelde ik me nog moe. Erg moe, vreemd moe, alsof ik iets onder de leden had. Overal hoorde ik verhalen van mensen die grieperig en/of verkouden waren, dus ik vond het niet zo vreemd als ik nu ook de klos zou worden. Ik nam me voor om het lekker rustig aan te doen. ‘s Middags zou ik naar fitness en aansluitend de yoga gaan (beide via het activiteitencentrum), maar de taxi zou rond half 2 bij mij zijn. Ruim de tijd dus om echt op mijn gemakje te teuten.
Eerst maar eens koffie en ‘n boterhammetje. Meestal peuzel ik dat lekker op terwijl ik mijn mail check en ‘n puzzeltje doe op de computer. Anderen lezen de krant, dit is mijn ochtendritueeltje. Ik had me voorgenomen om rond ‘n uur of 10 te gaan douchen enzo. Maar ik was nog steeds zo vreselijk moe. Nog 1 puzzeltje dan en dan zou ik écht mezelf onder m’n kont trappen. Dat puzzeltje wilde echter niet vlotten. Dus dan maar de pc uit. Maar ik voelde me zó moe dat het douchen een enorm karwei leek waarvan ik ‘t gevoel had dat ik het niet redden. Ik voelde me ook niet zo heel lekker. Het is moeilijk in woorden te vatten, maar het leek een soort van duizeligheid en toch ook weer niet helemaal. Misselijk, maar toch ook niet écht. Vreemd, naar, blèèh, zo dus.
Ik begon erover te denken om me maar een dagje af te melden. Maar ik wilde heel erg graag naar de yoga, dus ook het afmelden stelde ik nog even uit. Het zou zo vast wel beter gaan. Maar dat gebeurde dus niet. Nou, dan toch maar afmelden. Normaal gesproken zou ik me dan afmelden voor 1 dag, maar nu vond ik het nodig om mezelf echt ziek te melden. Dat betekent dat je dus ook niet meer voor andere activiteiten wordt opgehaald totdat je jezelf weer beter hebt gemeld. Maar ergens was er iets in mij dat het gevoel had dat dit langer zou gaan duren dan ‘n dagje.
Toen ik de telefoon openklapte, zag ik dat mijn vriendin een smsje had gestuurd. Omdat zij ook niet zo heel lekker in haar vel zat, besloot ik dat ik haar zou bellen zodra ik mezelf had ziekgemeld en daarna zou ik naar bed gaan. Want ik voelde me met de minuut vermoeider en beroerder. Zo gezegd, zo gedaan. Mijn vriendin hoorde meteen dat ik erg moe was. Dat is een van de restverschijnselen die ik heb overgehouden van het herseninfarct in 2010. Dan ga ik langzaam praten en mijn arm wordt dan ook weer een beetje zwaar. Dat voelde ik nu ook, maar ja……ik was gewoon heel moe. Zou vast een grieppie aan zitten te komen. Vriendin adviseerde me ook om maar lekker terug in bed te kruipen na het telefoontje. En zoals dat tussen haar en mij gaat, we hebben altijd nog wel meer kletsvoer dan we ons bij aanvang van het telefoontje voornemen, dus ook dit gesprekje duurde wat langer dan 5 minuten. Op een gegeven moment merkte mijn vriendin op dat ik nu toch wel héél slecht begon te praten, alsof ik dronken was. Ja duhhhh……….ik ga ‘s morgens op nuchtere maag aan de zuip voordat ik ga telefoneren. Maar ik merkte zelf ook wel dat het allemaal wat minder soepel ging. Ze vond dat ik de huisarts of anders de huisartsenpost toch maar even moest bellen. Mij leek dat niet zo nodig, maar zoals ik al schreef zat mijn vriendin ook niet zo lekker in haar vel. Ik wilde haar niet ongerust maken, dus ik beloofde haar de huisarts te bellen en daarna even te laten weten wat die had gezegd.
Eerst kreeg ik de assistente aan de lijn. Ik vertelde haar het verhaal dat ik zo vreemd moe was, dat het praten lastig ging en dat mijn arm en been ook wel zwaar begonnen te voelen. Nog steeds was ik ervan overtuigd dat ik de griep zou gaan krijgen, maar zij vond het toch nodig om even met de huisarts te overleggen. Toen ze weer terug kwam aan de telefoon, vroeg ze me of ik iemand had die me naar de Eerst Hulp van het ziekenhuis kon brengen. Eeeh……nee, niet echt. Ik zou wel zelf met de scootmobiel kunnen gaan, want ik woon vlak bij het ziekenhuis. Maar dat leek haar geen optie. Dan zou ze een ambulance gaan bellen. “Nou”, was mijn reactie, “is dat nou écht wel nodig? Het lijkt me nogal vervelend als die jongens uitrukken voor een aankomend griepje!” Of ik nog even aan de lijn wilde blijven, dan zou ze nog eens overleggen met de huisarts. Na ‘n minuutje hoorde ik haar zeggen dat de huisarts nú naar me toe zou komen. Hmm, dacht ik, hij zit met z’n praktijk vlakbij en hij zal wel net visites willen gaan rijden. Prima dan, als hij dacht dat het nodig was…….
Met die gedachte belde ik mijn vriendin weer op om haar het geruststellende nieuws te vertellen dat de huisarts onderweg was. Zij vond dat ik de voordeur maar alvast open moest maken, want nu kon ik nog lopen. Ja daaaag………het vriest nogal he, en zo meteen kan ik ook nog wel lopen, dacht ik toen ik ophing. Ik had de telefoon nog in mijn handen toen de bel ging: de huisarts! Tjee, die is snel, dat lijkt Overtoom wel!
En vanaf dat punt bleef ‘t snel gaan. Hij kwam, zag, en overwon……..oh nee, dat was iemand anders. Hij kwam, aanschouwde en vroeg me vriendelijk om zo hard mogelijk in zijn handen te knijpen. En toen voelde ik het zelf. Mijn linker had leek wel van bordpapier, nat bordpapier, er zat echt geen greintje knijpkracht in. “Tja”, was zijn enigszins droge reactie, “dan ga ik toch maar een ambulance bellen.” Nee he, was mijn reactie, niet wéér! En daar kwamen de tranen. Tja meis, zei hij, het spijt me, maar ik moet toch écht de ambulance voor je bellen.
Damn, damn, damn! Ik vroeg of ik me dan nog wel even aan mocht kleden, want ik liep nog in piama en ochtendjas. Maar dat mocht niet, dat zou ik volgens hem echt niet snel genoeg meer kunnen doen. Terwijl hij de ambulance belde, belde ik mijn vriendin om het nieuws te vertellen. Ze vroeg of ik wilde dat ze kwam, en ondanks dat ik weet dat ze ruim ‘n uur moet rijden, leek me dat op dat moment wel een goed idee. Ik pakte mijn sporttas waar mijn gympen en deodorant in zaten, propte er een bh (vraag me niet waarom, waarschijnlijk omdat die ‘t eerst binnen handbereik was), tandpasta, tandenborstel en portemonnee bij (daar zitten mijn verzekeringspasjes enzo in) en daar kwam de ambulancebroeder al binnen.
Ik ben nog zelf op de brancard gaan zitten, heb nog gezegd dat ik normaal in de zomer niet eens in piama naar ‘t ziekenhuis ga en dat ik ‘t toch wel absurd vond dat ik nu door de sneeuw en kou zo mee moest, maar ze hadden geen pardon. Terwijl een van de beide broeders probeerde om een infuusnaaldje in mijn hand te prikken, begon de ander al te rijden (leuk hoor, zo’n prikpen in je hand krijgen terwijl de auto net optrekt). Op dat moment kon ik alleen maar denken dat ik zo vreselijk moe was dat ik mijn ogen letterlijk niet meer open kon houden. Ergens ver weg registreerde ik dat mijn linkerhand van mijn buik af was gevallen en dat de broeder die weer braaf terug legde en me toen met klittenband vastsnoerde. Dat gebeurde allemaal nog voordat de auto amper de bocht om was en dat is echt maar een piepklein stukje van bij mij uit.
Daarna ben ik een stukje kwijt. Het volgende moment word ik een ruimte ingereden met allerlei mensen, draait iemand zich naar mij om (ik herkende hem als de jonge neuroloog waar ik in 2010 best wel boos tegen heb gedaan) en zegt mij nog wel te kennen. Ja, ik herken u ook, maar laat me nou maar slapen! Weet niet of ik het heb gezegd of heb gedacht. Denk dat dat ook niet zoveel boeit, had ‘t toch al verknald vorige keer! En weer ben ik ‘n stukje kwijt. Volgende moment probeer ik van brancard over te schuiven naar het bed van het scanapparaat, maar dat lukt me niet. Ik kan me met mijn linker arm én been niet afzetten. Ik voel dat er aan me wordt geduwd en getrokken en dan gaat ‘t licht weer uit. Het gaat weer aan op het moment dat ik de BrainCareUnit word binnengereden met een bed en dat ik iemand hoor zeggen: trombolyse.
Er gebeurt vanalles, om mij heen, aan mij, met mij. Het gaat snel, is rommelig en druk. En dan is er even rust en kan ik slapen. Niet lang, want dan moet ik tong uitsteken, in handen knijpen, met mijn voeten tegen handen duwen, zeggen dat de kat de krullen van de trap krabt (was dan op ‘n flat gaan wonen trut!) en met mijn ogen dicht het puntje van mijn neus aanraken (ik weet verdomme toch wel waar m’n neus zit, waarom kan mijn linker hand dat kreng niet vinden dan!?!?). Nou ja, ik weet wel waarom eigenlijk, het is weer mis, ik heb weer een herseninfarct! Mijn gedachten kwamen niet veel verder dan dat Fraai Uitgesneden Cederhouten Kastje van ‘n vorig blog, maar dan niet zo uitgebreid zeg maar.
Dat verhaal van de krabbende kat, mijn verdwenen neus en knijpen in vingers wordt tig keer herhaald. Voor mijn gevoel komen er 8 verpleegkundigen om de beurt het hele verhaaltje met me doen. Snap niet dat ze dit niet beter met elkaar overleggen. Achteraf blijkt dat er tussenposen tussen waren waarin ik sliep/weg zakte en dat ze die routine gewoon om de zoveel tijd moeten herhalen. Ergens tussendoor heb ik nog geplast op een pan waarbij ik merkte dat ik niet kon voelen of ik nog plaste of niet (vreemde ervaring hoor) en elk half uur of zo pompte automatisch een bloeddrukmeter zo hard op dat ik het gevoel had dat m’n hand eraf zou gaan vallen.
Wat er precies met me gedaan is weet ik van achteraf vertellen, op dat moment kreeg ik het allemaal niet zo goed mee. Wel merkte ik dat heel voorzichtig de kracht in mijn hand en been terug begon te komen. Iedere controle was er een ietsiepietsie vooruitgang. Dat was mooi. Zie je wel, dacht ik toen nog, storm in ‘n glas water. Al dat gedoe voor niets, begint al helemaal bij te trekken. Dat het zo snel en goed bijtrok door de sterke bloedverdunner die in grote hoeveelheid was toegediend (de trombolyse) had ik op dat moment niet door. Wat ik wel doorhad was dat ik weer moest plassen (tja, als je nog geen zeikwijf bent, dan wordt je ‘t op die manier wel) en ik had dus helemáál geen zin om weer op die stomme pan te gaan. Dus besloot ik dat ik wel even op zou staan en naar de wc zou lopen. Ai!! Ik had even niet door dat ik met allerlei kabeltjes en slangetjes vastzat aan apparaten. (Weet je, zo’n ziekenhuisopname kost handen vol geld, en dan nóg spelen ze het zo dat ze de energie uit je lijf gebruiken om wazige computertjes te laten werken!). Dus kwamen er 2 verplegers naar me toe hollen om 1. het bedrekje naar beneden te doen, 2. me los te koppelen van de toeters en bellen, 3. mijn schoenen aan te doen en 4. me te begeleiden naar de plee. Ieder aan 1 kant, ik hing/strompelde er tussenin.
Nou, al met al ging het elk uur een beetje beter. De volgende ochtend was ik al zover opgeknapt dat ik, zittend en onder begeleiding, mocht gaan douchen. Het aantal keren dat ik de testjes moest doen en dat de bloeddruk gemeten werd, ging van elk half uur, naar eens per uur en toen eens per 2 uur (maar toen was het intussen dus al ochtend). Op dinsdagmiddag het ziekenhuis in, op donderdagnamiddag al weer thuis.
Vandaag ben ik bij de revalidatie-arts geweest. Het blijkt dat ik toch wel weer een stuk heb ingeleverd. Krachtverlies in linker arm en been zijn heel duidelijk. Maar ik merk wel meer dingetjes nu ik zo in mijn eigen omgeving rondkeutel. Zo kan ik dus niet tegelijk koffie zetten en ‘n boterham smeren, want dan smeer ik de boter in het kopje en schenk ik het water over de boterham. Moet weer terug naar stapje voor stapje dus. Na een (zittende) douchebeurt ben ik zó moe dat ik rechtop in de stoel in slaap val. Het typen van dit blog gaat moeizaam omdat ik echt telkens moet corrigeren wat ik typ. Vooral de linker hand wil niet echt doen wat ik wil. En als ik na deze lap typen probeer mijn armen in de lucht te steken, dan blijft mijn linkerarm net iets boven schouderhoogte hangen.
Yep, inderdaad weer ingeleverd en volgende week ga ik dat weer braaf opbouwen met revalidatie. Maar mensen wat ben ik blij dat mijn vriendin de signalen herkende zo aan de telefoon. En wat ben ik blij dat ze erop aandrong om de dokter te bellen. Wat ben ik blij dat die goede man het serieuzer nam dan ikzelf en dat hij zo snel kwam en handelde. Wat ben ik blij dat ik zo snel in het ziekenhuis was, dat ze daar zo snel de conclusie trokken en zo snel begonnen met de trombolyse. Die trombolyse doet echt wonderen. Als ik kijk hoe ik er dinsdagmiddag bij lag en hoe ik er nu bij zit, dan is dat echt een wereld van verschil. De vorige keren was ik er niet snel genoeg bij om trombolyse te kunnn doen. De uitval was toen minder groot dan nu, maar toch zit ik er nu beter bij dan toen ‘n weekje na de opname.
De signalen goed herkennen en snel handelen zijn dus écht van heel groot belang in dit soort gevallen. Soms letterlijk van lévensbelang! Herken een beroerte!
PS: grote kans dat deze tekst wemelt van de fouten. Ik moet er nu mee stoppen, controleer/corrigeer straks of morgen wel. Sorry!